Pompen
Centrifugaalpomp: werking, typen en wanneer je hem kiest
Hoe werkt een centrifugaalpomp en wanneer kies je hem? Over waaiers, zelfaanzuigend of niet, en wat de pompcurve echt zegt.
De centrifugaalpomp is het werkpaard van vrijwel elke waterinstallatie. Beregeningspompen, hydrofoorpompen en drukverhogingspompen zijn bijna allemaal centrifugaalpompen, alleen anders uitgevoerd. Als je begrijpt hoe hij werkt, snap je ook waarom de ene pomp veel water geeft en de andere veel druk.
Hoe een centrifugaalpomp werkt
In het pomphuis zit een waaier op de as van de motor. Die waaier slingert het water naar buiten, zodat er in het midden onderdruk ontstaat en er nieuw water naar binnen wordt gezogen. Aan de rand van het pomphuis wordt de snelheid van het water omgezet in druk. Dat is de hele truc: snelheid maken en die snelheid inruilen voor druk.
Daaruit volgt meteen de belangrijkste eigenschap. Een centrifugaalpomp levert geen vast debiet, maar een combinatie van debiet en druk die afhangt van de tegendruk in je installatie. Zet je de kraan verder open, dan gaat er meer water door en zakt de druk. Knijp je hem dicht, dan loopt de druk op en gaat er minder water door.
Eenwaaierig of meerwaaierig: waar de druk vandaan komt
Wil je meer druk, dan zet je meerdere waaiers achter elkaar. Elke waaier verhoogt de druk verder, terwijl het debiet ongeveer gelijk blijft. Dat is het verschil tussen de twee families die je in het assortiment tegenkomt.
- Eenwaaierig: veel water bij bescheiden druk. Geschikt voor overpompen, voor beregening met een korte leiding en voor sproeiers die niet veel druk vragen.
- Meerwaaierig: hoge druk bij een gematigd debiet. Nodig zodra je een lange leiding hebt, een hoogteverschil moet overbruggen of sproeiers voedt die op 3 tot 4 bar horen te werken. Bekijk de meerwaaierige pompen.
Twee pompen met hetzelfde vermogen kunnen dus totaal verschillend uitpakken. Het vermogen in kilowatt zegt weinig; de combinatie van hoogte en debiet zegt alles.
Zelfaanzuigend of niet zelfaanzuigend
Een gewone centrifugaalpomp kan geen lucht verplaatsen. Staat er lucht in het pomphuis, dan draait de waaier rond zonder iets te doen. Zo'n pomp moet dus altijd gevuld zijn, en dat betekent in de praktijk dat hij onder het waterpeil staat of dat je hem met de hand vult. Kijk bij de niet-zelfaanzuigende pompen als dat op jouw situatie past.
Een zelfaanzuigende uitvoering heeft een extra ruimte in het pomphuis waarin water achterblijft. Daarmee kan hij de lucht uit de zuigleiding werken en zichzelf op gang brengen. Dat is wat je wilt boven een put of vijver. In zelfaanzuigende pomp voor beregening kiezen staat wanneer dat de betere keuze is.
Wat de pompcurve je vertelt en de doos niet
Op de doos staan een maximale opvoerhoogte en een maximale capaciteit. Die twee horen bij tegengestelde uitersten: de hoogte geldt bij nul doorstroming, de capaciteit bij nul tegendruk. Geen van beide is het punt waarop jouw installatie werkt.
In de pompcurve zie je de hele lijn daartussen. Zoek daarin het punt dat bij jouw installatie hoort: de hoogte die je moet overbruggen, plus de weerstand van de leiding, plus de werkdruk die je aan het eind nodig hebt. Reken één bar aan het eind als ongeveer 10 meter opvoerhoogte. Kies de pomp die op dat punt genoeg water geeft, niet de pomp met het mooiste maximum.
Wil je weten hoeveel sproeiers daar bij passen, gebruik dan de rekenhulp voor sproeiers en pompcapaciteit.
Wanneer een centrifugaalpomp niet de juiste keuze is
- Vuil water met vaste delen. De waaier is er niet op gemaakt. Neem dan een vuilwaterpomp.
- Water dat dieper dan 8 meter staat. Aanzuigen lukt dan niet meer, ongeacht het pompvermogen. Een bronpomp lost dat op.
- Kleine hoeveelheden met veel starts. Zonder membraanvat en drukschakelaar gaat de pomp veel te vaak aan.
Materiaal en aansluiting
Voor beregening en tuinwater is een gietijzeren of technopolymeer pomphuis normaal. Voor water met een agressief karakter, bijvoorbeeld brak of ijzerrijk water, is een uitvoering in roestvast staal de betere keuze; die gaat langer mee en verkleurt niet.
Kijk daarnaast naar de aansluitmaat. Een pomp met een 1¼ inch aansluiting op een leiding van 25 mm laat zijn capaciteit in de leiding liggen. De aansluiting van de pomp mag nooit ruimer zijn dan wat je erachter legt.
Drie fouten die capaciteit kosten
- Droogloop. Een centrifugaalpomp draait droog zonder waarschuwing en beschadigt dan de asafdichting.
- Een te dunne of te lange zuigleiding. Aan de zuigzijde is elke meter en elke bocht duur. Houd hem kort en ruim.
- Lucht in de zuigleiding. Eén slecht afgedichte koppeling is genoeg om de pomp niet te laten aanzuigen. Zie pomp zuigt niet aan.
Bekijk het volledige aanbod centrifugaalpompen, of ga direct naar de beregeningspompen als het om tuin of perceel gaat.